DOSSIER: HET GEMENE GOED

In dit themadossier staan we stil bij de publieke betekenis van en de publieke rol die de ruimtelijke ontwerpdisciplines moeten spelen, bij het debat over hoe de ruimtelijke opgaven waarvoor we staan meer dan ooit in gezamenlijkheid moeten worden opgelost. Gezien de coronacrisis (die velen stimuleert tot overpeinzing) een mooi en reflectief onderwerp voor de zomermaanden.

 

In verband met dat ‘gezamenlijk aanpakken’ vallen de laatste jaren termen als gedeeld eigenaarschap en ‘nieuwe commons’ (plekken, hulpbronnen, ruimtes, platforms (al dan niet online) die toegankelijk zijn voor alle leden van een groep of samenleving). De boodschap achter deze termen is als volgt: oplossingen en innovaties komen alleen tot stand als we samenwerken, buiten onze grenzen kijken, onze eigen (en vaak tegengestelde) belangen opzij zetten en met elkaar verbinden.

Dit geluid klinkt steeds vaker en luider. De Britse schrijver George Monbiot stelt in zijn boek ‘Out of the Wreckage’ dat het neoliberalisme is uitgewerkt en we op zoek moeten naar een narratief van commons, waarin we samen en op basis van een gemeenschappelijk verlangen oplossingen vinden voor de vraagstukken van deze tijd. Dat gemeenschappelijke verlangen naar een betere toekomst (en naar een ‘schoner en mooier Nederland’) is ook het leidmotief van het Panorama Nederland dat het College van Rijksadviseurs in 2018 uitbracht. Alleen door opgaven in samenhang te bekijken en boven belangen uit te stijgen, kunnen we ze van antwoorden voorzien.

 

Coöperatie moet centraal staan, schrijft Waag Society – dat betekent het organiseren van een gedeeld en gebalanceerd belang tussen verschillende partijen. De vakgebieden, stedenbouw en landschapsarchitectuur zijn bij uitstek geschikt om een dergelijk gedeeld belang tussen partijen tot stand te brengen. Tenminste, dat zouden ze moeten zijn. Want de ruimtelijke ontwerpdisciplines sinds de jaren negentig versnipperd geraakt, geliberaliseerd en geprivatiseerd. Ze worden meer en meer gedomineerd door de markt en commerciële partijen.

Rijksbouwmeester Floris Alkemade hoopt dat zijn vakbroeders zich de komende jaren los kunnen weken van met name marktpartijen (maar ook van politieke instituties), om als een onafhankelijke derde macht te opereren die het publieke belang van een gedegen ruimtelijke inrichting (als een voorwaarde om tal van opgaven in goede banen te leiden) over het voetlicht brengt. Hij staat niet alleen: de afgelopen maanden klonk steeds luider de roep om een terugkeer van VROM – een wens om met een door de centrale overheid gestuurde ruimtelijke ordening (en in het kielzog daarvan ontwerp) allerlei vraagstukken op te lossen en te verbinden.

 

Het idee is om in het dossier te onderzoeken hoe ‘het gemene goed’, het denken in nieuwe commons, doordringt in de stedenbouw en landschapsarchitectuur. Enerzijds door ’koplopers’ te belichten, ontwerpers en projecten die het goede voorbeeld geven. Anderzijds door in diepte-interviews experts te bevragen over wat dat gemene goed is (gemeenschappelijk verlangen) en welke rol ruimtelijke ordening en ontwerp daarin kunnen en moeten spelen.

Architectuurhistoricus Michelle Provoost analyseert in een inleidend essay hoe de stedenbouw is afgedreven van zijn publieke en coöperatieve taken – en hoe onwenselijk dat eigenlijk is.

Na decennialang verbonden te zijn geweest met maatschappelijke opgaven en doelen, zijn ruimtelijke ordening en stedenbouw sinds de jaren negentig (toen de liberalisering, privatisering en decentralisatie van start gingen) steeds meer losgezongen geraakt van een maatschappelijke en politieke consensus over ‘dat de kwaliteit van ons bestuur afgelezen kan worden aan de kwaliteit van de openbare ruimte, de bereikbaarheid van stad en land en de beschikbaarheid van woningen’, schrijft Provoost, van het gegeven dat ‘architectuur, stedenbouw en landschap werden ondersteund als een belangrijke vorm van cultuur die voor iedereen toegankelijk is en waarmee Nederland internationaal vooraan wilde lopen’.

Dat is zorgelijk, want de maatschappelijke vragen die nu op ons afkomen zijn van een grootsheid en een meeslependheid die we eigenlijk sinds de wederopbouw niet meer gekend hebben. Juist deze vraagstukken vereisen niet alleen de verbeeldingskracht van stedenbouwkundigen en ontwerpers, maar ook de gave om nieuwe commons te smeden, om verhalen op te tuigen die belangen en stakeholders verbinden – zodat we gezamenlijk deze grote opgaven te lijf kunnen.