Het is een bont palet van bekende en minder bekende tuinarchitecten dat zich ruim een eeuw geleden verenigde onder de noemer tuinkunstenaar. Het is dat gezelschap dat het vakgebied van de landschapsarchitectuur op de kaart zet en veel van het Nederland tussen 1890 en 1950 vormgeeft. Hun nalatenschap is nog altijd een grote inspiratiebron voor de nieuwe generatie landschapsarchitecten. Zo blijkt uit de reflecties van Young NVTL-leden op de biografieën in de uitgave Een vereniging van tuinkunstenaars – Grondleggers van de tuin- en landschapsarchitectuur in Nederland.
Van links naar rechts: Young NVTL-leden Coen Pronk, Stijn van Kampen, Cor Simon, Saskia Bottenberg, Jan Houweling. Zittend: Stijn van de Ven.
Niet op de foto: Lotte Oppenhuis en Daniel Barrero.
Serie in samenwerking met Young NVTL
Acht leden van Young NVTL bespreken acht tuinkunstenaars. Sommige zijn hen reeds bekend, andere nog volkomen vreemd, maar allemaal blijken ze een bron van inspiratie te zijn. Hun visies en manier van werken passen verrassend goed bij de ontwerpers van nu. Elke donderdag (met uitzondering van 25 december 2025 en 1 januari 2026) publiceren we een nieuwe reflectie in deze blog.
De nieuwste staat bovenaan.
Aflevering 6: Tine Cool
door de ogen van Lotte Oppenhuis: werkzaam als landschapsontwerper LOF Landschap.
Eigenlijk kende ik, op Jan Bijhouwer na, geen van de namen van de Bond van Nederlandsche Tuinkunstenaars (BNT). Op de foto van de oprichters zag ik dus onbekende gezichten. Drie vrouwen staan erop, waaronder Tine Cool. Uit haar biografie doemt een beeld op van een bevlogen tuinarchitecte. Best bijzonder, als vrouw in 1922. Ze was lid van de Nederlandse Vegetariërbond en betrokken bij de Soroptimisten. Een vrouw met idealen dus.
Toch is het vooral haar visie op de tuin en het vakgebied, die bij mij het meest tot de verbeelding spreekt. Zo bleef ze bij een aantal van haar tuinontwerpen ook na aanleg nog lang betrokken. Ze dacht mee over het beheer en adviseerde de eigenaren bij het kiezen van planten. En ze stelde over de tuin: ‘Maar leven moet de goede tuin altijd en wel zijn eigen leven. Dit is onze opdracht, dit ‘leven’ voor te bereiden, te helpen komen, want het is er niet ineens. (…) Het werkelijke, blijvende leven van de tuinen voorbereiden, dat is ons werk, ons bijzonder en ons mooi werk.’
Daaruit spreekt een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor de toekomst. Voor mij is dat wat ontwerpen zou moeten zijn: nadenken over wat de best passende toekomst is, en ons daar als ontwerpers verantwoordelijk voor voelen. Want zoals Tine Cool al stelde, het nieuwe leven in de tuin komt niet vanzelf, daar moet je wat voor doen.
Tine Cool (1887–1944) is als medewerker een van de drie vrouwen op de eerste algemene vergadering in 1923. Met haar kunstzinnige achtergrond lijkt ze een buitenbeetje, maar tegelijk is ze een trouw lid dat zich op vele manieren inzet voor de Bond: als organisator en deelnemer aan tentoonstellingen, als lid van de kascommissie en meer. Ze is tuinarchitect van bloemrijke tuinen en ze schrijft er uitbundig over in talloze artikelen, verslagen en columns
Veel van haar ontwerpen zijn privébezit. Een enkel ontwerp kun je nog bezoeken.
Tuinen Harmoniehof in Amsterdam.
Aflevering 5: Jan Bijhouwer
door de ogen van Coen Pronk: werkzaam als landschapsarchitect bij Veenenbos en Bosch.
De naam Bijhouwer was mij al enigszins bekend, voornamelijk door zijn beplantingsplan voor de Noordoostpolder. Bladerend door zijn werk viel mij de verscheidenheid aan projecten op: tuinen, parken, begraafplaatsen, de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum, maar ook grootschalige ontwerpen zoals de eerdergenoemde Noordoostpolder en studies voor de Wieringermeerpolder. Daarnaast werkte Bijhouwer aan projecten voor zowel binnen als buiten de stad. Dit spreekt mij aan; ik werk zelf ook graag op verschillende schaalniveaus. Wat mij vooral is bijgebleven, is zijn uitspraak dat een tuin ‘woonruimte, speelruimte, hobbyruimte en rustruimte wil zijn – de tuin dient meer nog dan het huis het hele leven te verrijken.’
Volgens mij was Bijhouwer een enorme vakidioot, in de beste zin van het woord. Allereerst omdat het vak in zijn tijd nog nauwelijks bestond; hij had tuinbouw gestudeerd, maar ontwikkelde zich vanuit de kennis van plantennamen en beplanting tot ontwerper. Op de foto voorin het boek is hij nog maar net afgestudeerd, een jonge pionier in een nieuw vakgebied. Via connecties wist hij verder te komen als ontwerper en werd uiteindelijk de eerste hoogleraar landschapsarchitectuur in Wageningen. Het lesgeven en het overdragen van zijn vak, heeft hij lang gedaan, en hij schreef daarnaast verschillende boeken.
Naast zijn functie als hoogleraar bleef hij ontwerpen en projecten uitvoeren. Wat me daarin opvalt, is wat ik zie als de essentie van landschapsarchitectuur: met beplanting ruimtes maken. Groot of klein, rond of langgerekt – met zichtlijnen die een belangrijke rol spelen, terwijl andere materialen een ondergeschikte rol vervullen. Zo ontstaan interessante plekken die steeds weer leiden naar nieuwe ruimtes. Als landschapsarchitect is beplanting onze belangrijkste tool, met de juiste bomen en planten kun je ruimtes creëren, accentueren of juist in elkaar laten overvloeien. Zijn manier van werken herinnert mij eraan waarom ik dit vak zo interessant vind: levende materialen zoals bomen bakenen niet alleen de ruimte af, maar laten haar ook groeien en veranderen met de tijd.
Jan Bijhouwer (1898–1974) staat op de groepsfoto van de eerste algemene vergadering in maart 1923 achteraan: aspirant lid Jan Tijs Pieter Bijhouwer. Hij is nog jong, pas cum laude afgestudeerd in de tuinbouw aan de Landbouwhogeschool in Wageningen en amper bekwaam in het ontwerpen van tuinen en parken. Maar Bijhouwer ontwikkelt zich tot een vaandeldrager van de tuin- en landschapsarchitectuur: als toekomstige voorzitter van de Bond van Nederlandsche Tuinkunstenaars (BNT), als eerste hoogleraar van het vakgebied en als ontwerper van belangrijke ontwerpen op alle schaalniveaus, in zowel stedelijk als landelijk gebied.
Enkele van zijn ontwerpen kun je nog bezoeken.
Burgemeester Coenenpark in Roosendaal, Begraafplaats de Bieberg in Breda en beeldentuin Kröller-Müller Museum in Otterlo.
Aflevering 4: Pieter Westbroek
door de ogen van Daniel Barrero: werkzaam als landschapsarchitect bij LOF Landschapsarchitecten.
Wat me in Pieter Westbroek raakt, is hoe zijn werk groeide vanuit een artistiek vakmanschap en een liefde voor planten naar een bredere aandacht voor leefbare, uitnodigende ruimtes voor mensen. Zijn vroegere plantsoenen waren nog echte ‘schilderijtjes’, bedoeld om te bewonderen, maar gaandeweg ontwikkelde hij een gevoel voor plekken waarin ontmoeting, spel en ontspanning samenkomen. Zoals hij zelf zei over het Zuiderpark: ‘Het park zal voor alles een volkspark moeten zijn, waarin oud en jong zich, evenals in de natuur, vrij en blij kan bewegen.’
Sinds mijn studie architectuur en stedenbouw in Bogotá werd voor mij duidelijk hoe essentieel zulke plekken zijn voor het versterken van gezonde gemeenschappen. Pleinen, parken en straten zijn niet alleen open ruimtes, maar plekken waar mensen elkaar ontmoeten, banden versterken en zich verbonden voelen met de stad.
Zijn werk laat zien hoe ontwerp kan bijdragen aan sociale samenhang en tegelijkertijd oog kan hebben voor esthetiek en natuur. Het inspireert mij om in mijn eigen werk diezelfde balans te zoeken: plekken te ontwerpen waar mensen zich thuis voelen en waar het ontwerp bijdraagt aan een gedeelde ervaring van de stad.
Pieter Westbroek (1863–1926) is een vakman met gedegen kennis van planten en bomen, thuis in de negentiende-eeuwse ‘kijkplantsoenen’. En ervaren in het lastige steekspel met bestuurders en jongere vakgenoten. Bij de oprichting van de Bond van Nederlandsche Tuinkunstenaars (BNT) moet hij zich als bestuurslid op zijn plaats hebben gevoeld. Vanwege zijn verdiensten als ontwerper én bestuurder wordt hij ‘meerzijdig ontwikkelde plantkundige’ genoemd. Westbroek is directeur van de Haagse Plantsoenendienst en lange tijd hoofd van de afdeling Tuinbouw van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
Enkele van zijn ontwerpen kun je nog bezoeken.
Het Sweelinckplein, Westbroekpark, en Zuiderpark in Den Haag.
Aflevering 3: Hendrik Hartogh Heys van Zouteveen
door de ogen van Stijn van de Ven: werkzaam bij H+N+S landschapsarchitecten als onderdeel van het Ruimtelijk traineeship Midden-Nederland. Naast zijn baan als junior landschapsontwerper, is Stijn ook bestuurslid van NVTL en verantwoordelijk voor Young NVTL.
Hendrik Hartogh Heys van Zouteveen – wat een fantastische naam – sprong er voor mij direct uit. Als eerste secretaris zette hij zich in voor de oprichting van De Bond van Nederlandsche Tuinkunstenaars (BNT).
Wat mij zo inspireert aan Hartogh Heys is het feit dat hij een vooruitziend architect was. Hij wordt omschreven als iemand die ‘belangeloos’ ontwerpplannen opstelde om naamsbekendheid op te bouwen. Wat hem definieerde was zijn vooruitstrevende manier van ontwerpen. Hij streefde naar een vernieuwende ontwerpstijl, hij zocht samenhang tussen architectuur en natuur en lette daarbij op wat passend was bij de streektradities. Wellicht was Hartogh Heys zijn tijd vooruit; zijn aanpak werd destijds niet altijd gewaardeerd. We kunnen nu nog altijd veel leren van wat deze man een eeuw geleden al bezighield!
Hartogh Heys was lector Tuinkunst en Tuinarchitectuur aan de Landbouwhogeschool van Wageningen. Hij wordt beschreven als een docent die zijn studenten stimuleert om zich verder te ontwikkelen. Hij vond daarbij de continuïteit tussen de verschillende generaties tuinarchitecten belangrijk. Dat blijkt uit zijn initiatief om tuinarchitecten te verenigen en een bond op te richten. Ik vind het fantastisch hoe goed Hartogh Heys ook hierbij de jongere generatie in het vizier had.
Als vakvereniging waren de hoofddoelstellingen duidelijk: de ontwikkeling en waardering van het vak; belangenbehartiging van de tuinarchitect; verbetering van vakbelangen en haar wettelijke positie; en de samenwerking met andere gerelateerde bonden of corporaties. Deze hoofddoelstellingen zijn in essentie nooit veranderd. De grondlegging van de vereniging was dusdanig goed doordacht dat het ruim honderd jaar later nog steeds de kern vormt. Hartogh Heys was een fanatiek en vasthoudend pleitbezorger van het vakgebied. Hoewel hij er zelf niet in slaagt de overheid te overtuigen van de noodzaal van het vakgebied, doet zijn opvolger en oud-student Bijhouwer dat wel.
Hartog Heys is een van de belangrijke grondleggers van ons vakgebied. Zijn carrière heeft de condities gecreëerd waar wij als landschapsarchitecten tegenwoordig nog de vruchten van plukken. Hij inspireert en motiveert mij om daarop verder te bouwen en dit vakgebied nog steviger zijn maatschappelijke rol te laten dienen.
Tuinarchitect Hendrik François Hartogh Heys van Zouteveen (1870–1943) is de belangrijkste initiatiefnemer van de BNT. Als fanatiek en vasthoudend pleitbezorger van het vakgebied van de tuinkunst en de status van een onafhankelijk tuinarchitect, zet hij zich in voor de oprichting van een vakbond. Hartogh Heys, lector Tuinkunst en Tuinarchitectuur aan de Landbouwhogeschool van Wageningen, is van 1923 tot 1929 secretaris en penningmeester van de BNT.
Enkele van zijn ontwerpen kun je nog bezoeken.
Oosterbegraafplaats in Enschede en ‘villapark’ Bergkwartier in Amersfoort.
Aflevering 2: Leonard Springer
door de ogen van Cor Simon: werkzaam als zelfstandig tuin- en landschapsontwerper en docent tuinarchitectuur en tekenen bij OntwerpAcademie.
Weinig mensen zijn zo invloedrijk geweest voor de tuinarchitectuur als Leonard Anthony Springer. Er zijn wel 1100 (!) schetsen en ontwerptekeningen van zijn hand bekend. Veel van zijn creaties leven nog steeds, zoals bij Paleis Noordeinde in Den Haag, het Arboretum de Dreijen in Wageningen en het Oosterpark in Amsterdam.
Toen ik het Oosterpark bestudeerde, raakte ik gefascineerd. Die vloeiende paden, zichtassen, boomgroepen, vijvers en de groene omlijsting doen de stad even verdwijnen. Later paste hij ook de eclectische stijl toe, een mengvorm van bijvoorbeeld de Engelse landschapsstijl en Franse neobarokstijl, organisch én geometrisch.
Omdat tuinarchitectuur voor 1900 nog nauwelijks bestond in Nederland, leerde Springer het vak vooral door zelfstudie van architectuurgeschiedenis en buitenlandse tuinen en parken. Zijn vader was schilder en dat zie je. Zijn ontwerpen zijn kunstzinnige aquarellen, met in 3D getekende bomen. Daardoor wordt de ruimtelijkheid direct zichtbaar. Daar kan Photoshop nauwelijks tegenop!
Springer kon wel principieel en driftig van karakter zijn. Hij keerde zich fel tegen het samengaan van tuinkunst en tuinbouw, volgens hem moest de ontwerpvrijheid heilig blijven. Toch kan samenwerking vruchtbaar zijn. Ik organiseerde ooit voor Young NVTL een workshop met kwekers Cor Bras en Cor van Gelderen. Het was een dag vol wederzijdse inspiratie, van kennis over planten en de creativiteit van ontwerpen.
Naast zijn ontwerpen schreef Springer talloze artikelen en stond hij aan de wieg voor de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (BNT). In 1925 werd Springer op zeventigjarige leeftijd geridderd tot de Orde van Oranje-Nassau. Een terechte eer voor de man die ervoor heeft gezorgd dat je lekker met je boterham kan genieten in het romantisch groen.
Leonard Anthony Springer (1855–1940) wordt beschouwd als de nestor van de Nederlandse tuinkunst. Hij staat aan de basis van grote ontwikkelingen binnen het vakgebied. Hij is dendroloog, bosbouwer en tuinarchitect en de eerste leraar van de nieuwe tuinkunstopleiding in Wageningen.
Enkele van zijn ontwerpen kun je nog bezoeken.
Tuin bij Paleis Noordeinde in Den Haag, arboretum De Dreijen in Wageningen en het Oosterpark in Amsterdam.
Aflevering 1: Hugo Poortman
door de ogen van Saskia Bottenberg: werkzaam als beplantingsspecialist en landschapsontwerper bij Copijn landschapsarchitecten.
Hij is de eerste die me opvalt in het gezelschap van de tuinkunstenaars, met die zo kenmerkende snor. Daarna in zijn biografie als parkarchitect en leerling van Édouard André, de gemengde stijl die zijn werk typeert: ‘le style mixte’. Hij weet een combinatie te maken tussen geometrische en natuurlijke lijnen. Wat me bij blijft is zijn nauwgezette vakmanschap, de gedrevenheid en passie die spreken uit de teksten en citaten in het boek. ‘Symmetrische bloemperken, een orangerie met tropische planten, een moestuin en het prachtige rosarium verraden de inbreng van de mens. Maar daarnaast laten we de natuur vrij. Beplant met bomen die van ver komen, alleen voor ons genot.’
Landgoederen en buitenplaatsen als landgoed Middachten, de kasteeltuinen van buitenplaats Amerongen en landgoed Zuylestein zijn van zijn hand. Plekken die grote indruk op me hebben gemaakt en die ik tijdens de beginjaren van mijn studie leerde kennen.
Hij inspireert mij omdat zijn liefde voor het vak spreekt uit zijn hand en levensloop. Zijn verfijnde tekeningen en schetsen met parterres en bloemperken tonen een enorme discipline en oog voor detail. Dat hij op botanische expeditie gaat naar Ecuador en de bijzondere Zuid-Amerikaanse plantencollectie uiteindelijk verloren gaat, vind ik fascinerend.
Ik lees over een voorganger met lef, ondanks dat hij ook periodes kent van twijfel. Dat hij zichzelf parkarchitect noemt, vind ik een slimme keuze omdat hij zich daarmee onderscheidt. Er ligt een schoonheid en doordachte detaillering verborgen in zijn tekeningen en stijl. Ik had graag een dag met hem gewerkt in zijn atelier aan een van die prachtige landgoederen.
Hugo Poortman (1858–1953) ooit begonnen als hulp bij de vermaarde Franse tuin- en landschapsarchitect Edouard André, wordt een toonaangevende figuur bij het ontwerp en de reconstructie van vele parken en landgoederen. Vooral in Oost-Nederland is hij een initiatiefrijk bestuurder.
Enkele van zijn ontwerpen kun je nog bezoeken.
Landgoed Middachten, de kasteeltuinen van buitenplaats Amerongen, landgoed Zuylestein en landgoed Weldam.